1. Welke rol spelen Afrikaanse strips in de Afrikaanse samenleving?
Strips doen in Afrika vaak dienst als uitlaatklep. Het laat lezers lachen om de tegenslagen van politiek leiders (bij politieke satires) of wegdromen bij de avonturen van plaatselijke herkenbare striphelden.
Strips zijn ook een doeltreffend middel om de Afrikaanse jeugd de liefde voor het lezen bij te brengen. Net als in Europa, zijn Afrikaanse kinderen dol op stripverhalen.
Daarnaast verschijnen er veel voorlichtingsstrips in Afrika. Deze hebben als doel om mensen gevoelig te maken voor belangrijke thema's als aids, malaria, hygiëne, vrouwenmishandeling, analfabetisme, illegale migratie, onderwijs, landbouw of corruptie. Tekeningen spreken een universele taal en dat is van belang in een werelddeel waar leesvaardigheid geen vanzelfsprekendheid is. Veel voorlichtingsstrips worden gefinancierd door ngo's.
2. Door wie worden Afrikaanse strips gelezen in Afrika?
Strips worden in Afrika in beginsel gezien als jeugdlectuur en dus gelezen door kinderen. En dan door kinderen in de steden, want op het platteland zijn nauwelijks bibliotheken of boekwinkels te vinden. In tegenstelling tot Europa zul je een volwassene niet vaak een stripboek zien lezen, behalve misschien in welgestelde en stedelijke kringen. De reden daarvoor is niet alleen cultureel (een volwassene leest geen 'kinderboeken'): veel Afrikanen vinden het 'lezen van nuttige lectuur' belangrijker dan het 'lezen voor je plezier'.
3. Welke thema's worden er in Afrikaanse stripverhalen behandeld?
Afrikaanse strips zijn vaak gebaseerd op de dagelijkse werkelijkheid van de striptekenaar en/of scenarioschrijver zelf. Een goed voorbeeld is het stripboek 'Aya uit Yopougon', dat gebaseerd is op de jeugdherinner-ingen van de Ivoriaanse scenario-schrijfster Marguerite Abouet. Ook tekenaars als Jean-Claude Ngumire (Rwanda) en Pat Masioni (Congo) gebruikten hun persoonlijke herinneringen bij het maken van een stripboek over de oorlog in Rwanda in 1994.

Voorlichtingsstrips, die meestal door internationale ngo's worden gefinancierd, behandelen thema's als aids, malaria, hygiëne, vrouwenmishandeling, analfabetisme, illegale migratie, onderwijs, landbouw of corruptie. Deze strips hebben als doel het publiek te informeren over specifieke maatschappelijke issues.
De volksstrips, die we o.a. vinden in de Democratische Republiek Congo, richten een scherpe en satirische blik op de eigen maatschappij en politiek. Terugkerende onderwerpen hierin zijn seks, hekserij en tovenaarsleerlingen.
In albums die door de kerk worden uitgegeven staan moraal en geloof centraal.
4. Welke stijlen worden er in Afrikaanse stripverhalen gebruikt?
Veel Afrikaanse tekenaars worden beïnvloed door Europa.
In de meeste Franstalige Afrikaanse strips vinden we de Frans-Belgische tekenstijl terug van de 'klare lijn'. Deze naam wordt gebruikt om de tekenstijl aan te duiden van de Belgische striptekenaar Hergé (vooral bekend van de strip Kuifje). Hoewel de 'klare lijn' niet exact te definiëren is, zijn er wel een aantal kenmerken te noemen:
-
cartoonachtige personages in een realistisch decor;
-
alleen de essentiële lijnen worden neergezet, overbodige details worden niet getekend;
-
weinig variatie in de lijndikte van de contourlijnen (gematigd dik dun verloop);
-
niet of nauwelijks gebruik van schaduwen en arceringen;
-
Indien het een kleurenstrip betreft: egale inkleuring, geen kleurverloop.
In Madagascar is de invloed van de marvel comics uit de 60-er en 70-er jaren voelbaar, hetgeen duidelijk te zien is aan de vrij compacte en filmische stijl.
In het niet-Franstalige deel van Afrika zijn de stijlen gevarieerder. In Tanzania en Nigeria hebben de in streektaal geschreven strips een zeer eigen tekenstijl.
5. Is de Afrikaanse strip onder te verdelen in genres?
In Afrikaanse strips kunnen verschillende genres worden onderscheiden.
6. Lijkt de humor in Afrikaanse strips op de humor in Westerse strips?
Veel striptekenaars in Afrika hebben ooit wel eens politieke cartoons gemaakt. Dat is van invloed op de humor die ze in hun strips gebruiken. De humor bestaat vaak uit het overdrijven en uitvergroten van de feiten. Veel strips gaan daarnaast over het dagelijkse leven in Afrika. De vele woordspelingen in de streektaal leveren hilarische momenten op voor de plaatselijke bewoners. Buitenstaanders begrijpen er vaak niets van ...
7. Zijn er nog meer verschillen tussen het Afrikaanse en het westerse stripverhaal?
De tekenaars van Afrikaanse strips imiteren vaak de Europese stripcultuur. Verschillen zijn hierdoor marginaal. De verschillen zitten vooral in de techniek, die ambachtelijk en beknopt is: er wordt getekend met pen of penseel en voor tekeningen in kleur wordt geschilderd met aquarel of gouache. Geen scans, geen tekenprogramma's op de computer. De vele tekenaars in de Afrikaanse diaspora, die grotendeels in Frainkrijk wonen en werken, benutten dezelfde digitale middelen als hun Europese collega's.
8. Worden strips in Afrika gecensureerd?
Er zijn geen voorbeelden bekend van Afrikaanse strips die vanuit de kerk of de overheid zijn verboden. Wel zijn er thema's die in bepaalde landen wel geaccepteerd zijn (zoals seks en hekserij in DR Congo of geweld in Madagascar), maar in andere delen van Afrika weer niet. Veel tekenaars zijn echter ook cartoonist. En cartoonisten worden wel regelmatig lastiggevallen door justitie of politie. Zo moest Pat Masioni Congo ontvluchtten vanwege zijn felle en anti-regeringsgezinde spotprenten. Twee jaar geleden had Ramón Esono Ebalé in zijn land Equatoriaal Guinea problemen vanwege een cartoon over het staatshoofd in een krant van de oppositie.
9. Wat zijn belangrijke periodes in de geschiedenis van de Afrikaanse strip?
We onderscheiden een aantal fasen: in het koloniale tijdperk is alle lectuur en strips afkomstig uit Europa, inclusief de geïllustreerde jeugdbladen. Na de onafhankelijkheid verschijnen de eerste strips, die in de Franstalige landen voornamelijk door de katholieke kerk worden uitgegeven. Buitenlandse ngo's ondersteunen enkele bescheiden titels van lokale herkomst.

Tot het eind van de jaren 80 domineert Kouakou, een zeer populair tijdschrift dat gratis op Afrikaanse scholen werd verspreid door de Europese uitgeverij Segedo. Het twintig pagina's tellende blad verscheen tweewekelijks van 1966 tot 1998. De doelgroep waren kinderen van 8-12 jaar. Kouakou was belangrijk voor de populariteit van het stripmedium in Franstalige Afrikaanse landen. Maar tegelijkertijd had het blad door zijn allesoverheersende aanwezigheid ook een remmende invloed op de productie van andere stripverhalen.
Vanaf het begin van de jaren 90 leidden twee verschijnselen tot de opkomst van de strip. De persvrijheid deed zijn intrede in Afrika, waardoor een veelvoud aan nieuwe bladen kon verschijnen, voornamelijk satirische bladen met een enorm aantal karikaturisten en tekenaars. Daarnaast maakten steeds meer lokale ngo's gebruik van strips om voorlichting te geven over sociale en maatschappelijke problemen.
10. In welke landen zijn Afrikaanse strips populair?
Strips zijn vooral populair in de volgende landen:
-
De Democratische Republiek Congo en Madagascar: beide landen brengen een groot aantal bekende kunstenaars voort. De traditie van het stripverhaal is er nu bijna een halve eeuw oud.
-
Cameroun en Ivoorkust: deze landen kennen een sterke satirische pers. De politieke tekenaars spelen een rol van betekenis in de publieke opinie en in de maatschappij. In Ivoorkust wordt daarnaast het belangrijkste Afrikaanse stripblad gemaakt: Gbich!.
-
Senegal, het Afrikaanse land waar de meeste ngo's zijn gevestigd, die strips veelvuldig gebruiken om een boodschap over te brengen (zie de rubriek 'Voorlichtingsstrips').
-
Nigeria: dit land produceert veel plaatselijke kleine stripverhalen, die onder alle lagen van de bevolking worden verspreid.
-
Zuid-Afrika: in dit land heeft zich in de stripwereld een alternatieve 'underground' stroming ontwikkeld, met de satirische striptijdschriften Bitterkomix en de Mamba Comics als boegbeelden.
11. Welke Afrikaanse stripfiguren zijn erg populair in Afrika?
Afrika kent vele striphelden. De bekendste zijn:
Burkina Faso: 'Yrmoaga'
Congo: 'Zoba Moke'
Ivoorkust: 'Dago' en 'Monsieur Zézé'
Gabon: 'Bibeng' en 'Tita Abessolo'
Senegal: 'Boy Melakh' en 'Goorgoolou'
DR Congo: 'Mata Mata', 'Pili Pili', 'Apolosa', 'Mohuta' en 'Mapeka'Centr. Afr. Republiek: 'Tekoué'
Helaas is het geen van deze helden gelukt om ook over de grens, in andere Afrikaanse landen, naam te maken. In Europa daarentegen is Aya, heldin van de driedelige graphic novel 'Aya de Yopougon' van de Ivoriaanse Marguerite Abouet en Clément Oubrerie, een groot succes.
12. Welke Afrikaanse stripbladen zijn populair in Afrika?
Op dit moment is het Ivoriaanse blad Gbich! het meest populair in Afrika. Gbich is meer dan zomaar een humoristisch tijdschrift. Zonder zichzelf al te serieus te nemen, brengen de striptekenaars en journalisten van dit weekblad telkens weer hun knarsentandende boodschap.
De onderwerpen van de strips in Gbich! spreken in veel landen tot de verbeelding: corruptie, armoede, gebrekkige voorzieningen etc. Ook de striphelden uit het blad zijn in meerdere landen bekend: de op zwart zaad zittende zakenman 'Cauphy Gombo', een oplichter die nergens voor terugdeinst om geld te verdienen, de corrupte politieman 'Sergent Deutogo', de pechvogel 'Tommy Lapoasse' ...
Hoofdredacteur van het tijdschrift is tekenaar Lassane Zohoré, die vertelt dat er voor het uitbreken van de oorlog in 2002 wekelijks 30.000 exemplaren van Gbich! werden gedrukt. Die oplage is gedaald, maar hij schat dat er nog altijd ruim 20.000 het land in gaan. En wie zich in Afrika internet kan permitteren, kijkt gewoon op www.gbichonline.com.
13. Wie zijn de bekendste Afrikaanse striptekenaars?

De bekendste Afrikaanse striptekenaar is de Congolees Barly Baruti, de eerste Afrikaan van wie werk bij Europese uitgeverijen werd gepubliceerd. Baruti is één van de deelnemers van Picha. Klik hier voor zijn profiel.

Een andere bekende is Pat Masioni uit Congo. Hij verwierf in 2005 internationale faam met de publicatie van een tweedelig stripboek over de oorlog tussen de Hutu's en de Tutsi's in 1994 in Rwanda. Met dit expliciete verslag van de Rwandese oorlog plaatst Masioni zich tussen de groten van het beeldverhaal.
Andere grote namen zijn de Gabonees Pahé, die in een driedelige stripserie zijn verhuizing van Afrika naar Europa tekende, en de Ivoriaan Lassane Zohoré, oprichter van het succesvolle striptijdschrift Gbich! en schrijver van de serie 'Cauphy Gombo' (foto).
14. Bestaat er een standaardprofiel van de Afrikaanse striptekenaar?
Dé Afrikaanse striptekenaar bestaat niet. Kunstenaars zijn vaak zowel karikaturist, schilder, grafisch vormgever, illustrator, ontwerper en wanneer dat mogelijk is ook striptekenaar. Afrikaanse striptekenaars schrijven zelden hun eigen script en werken vaak samen
met Europese scenarioschrijvers.
Meestal zijn het mannen. Uitzonderingen op deze regel zijn scenarioschrijfster Marguerite Abouet (Ivoorkust), de Karlien de Villiers (Zuid-Afrika), Fifi Mukuna (Democratische Republiek Congo) en Jenny (Madagascar).
Het beroep striptekenaar geniet weinig aanzien in Afrikaanse landen en wordt veelal gezien als tijdverdrijf. Dit gebrek aan erkenning verklaart waarom veel talentvolle tekenaars emigreren naar Europa of de Verenigde Staten.
15. Kunnen Afrikaanse striptekenaars van hun werk leven?
Helaas niet. Omdat strips nauwelijks op commerciële basis worden geproduceerd, kan bijna geen enkele Afrikaanse striptekenaar behoorlijk rondkomen. Zijn werk beperkt zich hoofdzakelijk tot opdrachten van ngo's, spotprenten voor de krant of evangelisatiewerk voor de kerk. En dat zijn in elk geval geen regelmatige en goedbetaalde opdrachten. Elke tekenaar is al blij als zijn werk wordt gepubliceerd.
Er zijn een paar uitzonderingen: T.T. Fons (Senegal), die het populaire stripfiguurtje 'Goorgoolu' bedacht en Lassane Zohoré (links in beeld), oprichter van het in Ivoorkust - en inmiddels ook daarbuiten - zeer populaire blad Gbich!. Overigens moeten ook in Europa veel stripstekenaars bijschnabbelen.
16. Hoe wordt een Afrikaans stripboek geproduceerd en verkocht?
Veel Afrikaanse strips worden gesubsidieerd door kerken en ngo's, die een boodschap aan het volk willen meegeven. De stripuitgave wordt in dit geval volledig gefinancierd, inclusief gratis verspreiding op scholen en andere instellingen (bibliotheken, educatieve centra, enz.).
Er bestaan twee soorten commerciële strips. Ten eerste de Afrikaanse strips die door uitgevers worden geproduceerd en op de markt worden gebracht. In Afrika zijn echter maar weinig stripuitgevers. De betere Afrikaanse striptekenaars werken samen met een uitgever in Europa. Ten tweede zijn er de zelfgeproduceerde, zogenoemde volksstrips, die in een zeer kleine oplage (van gemiddeld 100 tot 200 exemplaren) tegen lage prijzen op markten worden verkocht; deze strips worden gemaakt op stencils van slechte kwaliteit en op verzoek vermenigvuldigd.
17. Bestaan er stripopleidingen in Afrika?
Nee, die zijn er niet. Behalve in Tetouan, Marokko, waar op de kunstacademie, met hulp van de Kunstacademie van Tournai (België), een studierichting striptekenen is opgezet. De studenten van andere kunstacademies (zoals de Kunstacademie van Kinshasa) moeten het striptekenen in de praktijk leren. Dit verklaart ook de vage grens in Afrika tussen het beroep van schilder, illustrator, grafisch vormgever en striptekenaar. Ook voor het schrijven van scenario's is er geen opleiding. Gelukkig vullen Franse en Belgische kunstinstellingen deze leemte enigszins op door vervolgopleidingen aan te bieden aan talentvolle Afrikaanse tekenaars.
18. Worden er in Afrika stripconcours en -festivals georganiseerd? Welke organisaties hebben op dit gebied de meeste invloed?
Lange tijd organiseerde alleen de Franse uitgever Segedo stripwedstrijden waar tekenaars uit Afrika aan mee konden doen. De belangrijkste stripwedstrijd op dit moment is Africa Comics, dat om de twee jaar door de Italiaanse ngo Africa e Mediterraneo wordt georganiseerd (lees hieronder meer over deze organisatie).
De meest succesvolle stripfestivals in Afrika zijn de Salon de la Bande Dessinée in Kinshasa (DR Congo, 5x georganiseerd), het Stripfestival Coco Bulles in Abidjan (Ivoorkust, 3x georganiseerd), de Salon de la Bande Dessinée in Bamako (Mali, 2x georganiseerd), het stripfestival Il'en Bulles in Port Louis (Mauritius),en het stripfestival van Tetouan (Marokko). Het grootste stripfestival van Europa vindt ieder jaar plaats in Angoulême (Frankrijk). Hier doen ook altijd Afrikaanse striptekenaars aan mee.
Eén van de meest invloedrijke striporganisaties op het Afrikaanse continent is de vereniging ACRIA: Atelier de Création et de l'Initiation à l'Art, die zich richt op het maken van en onderzoek doen naar de stripkunst. Door de bundeling van inzet, talent en financiering maakte ACRIA van Kinshasa een tijdlang de Afrikaanse hoofdstad van het stripverhaal.
In 2002 richtten Julien Batandéo (Togo), Aly Zoromé, Massiré Tounkara, Papa Diawara en Georges Foli (Mali) het dynamische Atelier BDB (Bande Dessinée de Bamako) op. Het atelier, gevestigd in het Franse Culturele Centrum in Bamako (Mali) creëert en promoot Malinese stripverhalen, organiseert strip- en tekenateliers voor kinderen en jongeren en begeleidt striptalent.
In Europa zijn twee organisaties toonaangevend op het gebied van Afrikaanse strips: L'Afrique Dessinée is gevestigd in Parijs en telt zeven tekenaars uit verschillende Afrikaanse landen, onder wie Adjim Danngar (Tchaad) en de Camerounese scenarioschrijver Christophe Ngalle Edimo. Zij vormen een echt kunstenaarsinitiatief en geven diverse titels uit bij de Italiaanse uitgeverij Lai-Momo.
En dan is er nog Africa e Mediterraneo. Deze Italiaanse ngo organiseert in binnen- en buitenland striptentoonstellingen, publiceert stripcatalogi en reikt om de twee jaar een prijs uit aan een Afrikaanse tekenaar voor de beste ongepubliceerde strip.
19. Zijn er veel Afrikaanse striptekenaars die Afrika hebben verlaten om zich in Europa of Amerika verder te ontwikkelen?
Dat was aan het eind van de jaren negentig inderdaad het geval, toen een aantal tekenaars naar Europa vertrok. Van de 19 striptekenaars die deelnemen aan de tentoonstelling Picha hebben de volgende tekenaars hun thuisland verlaten: Farid Boudjellal (Algerije), Adjim Danngar (Tchaad), Pat Masioni (Congo), Marguerite Abouet en Bob Kanza (Ivoorkust) wonen in Frankrijk, Jean-Claude Ngumire (Rwanda) woont in Nederland, Tayo Fatunla (Nigeria) woont in Engeland en Frank Odoi (Ghana) is naar Kenya verhuisd.
Maar met de recente successen van de Gabonees Pahé en de Congolees Thembo Kash, die allebei in hun eigen land zijn gebleven, en de terugkeer naar Kinshasa (DR Congo) van Barly Baruti, lijkt deze emigratie te zijn gestopt.
20. Bestaat er Afrikaanse strips in streektaal?
Ja, in veel Franstalige Afrikaanse landen wordt de lokale taal gebruikt voor de voorlichtingsstrips. Deze zogenaamde 'grassroot comics' worden ingezet (en gratis verspreid) door ngo's om de lokale bevolking bewust te maken van sociale en maatschappelijke problemen. De streektaal wordt ook gebruikt in de straatstrips die op markten worden verkocht. Commerciële strips worden zelden in de plaatselijke taal geschreven. Alleen in Kenya en Tanzania zijn er enkele striptekenaars, zoals Gado, die zich van het Swahili bedienen.